T O O G D A G 2 0 1 1

Waarde vrienden/vriendinnen en belangstellenden,

Ook dit jaar doen wij weer graag verslag van onze activiteiten.

“Toogdag 2011” Op 25 november 2011 kwam een groep van ruim vijftig vrienden en vriendinnen van onze stichting bij elkaar rond de vier laatste toespraken van Ter Schegget en de indringende vragen, die hij aan de generatie na hem stelde over hoe zij zich zonder gemeente of, anders gezegd, “leerhuis van het geweten”, in het leven staande houden.* Wilken Veen, Johannes Diepersloot en Elfriede ter Schegget leidden het onderwerp in, ieder vanuit eigen perspectief. ** De middag werd afgesloten met een prachtig concert van Lena ter Schegget (viool) en Kanako Inoue  (piano). ***

De discussie na de avondmaaltijd spitste zich toe op de vraag, hoe wij in onze samenleving, waar geloof steeds religieuzer lijkt te worden, een geloof zonder religie present kunnen stellen. Een geloof dat zich richt op een belofte, een toekomstperspectief, zonder ideologie en zonder godsbeeld, dat zich laat samenvatten als “Van der Hummes van hierboven” (Miskotte). Zowel de meer theologisch, als de meer politiek geïnteresseerde deelnemers bleek deze vraag bezig te houden. Enerzijds vanuit een gedeelde verontrusting over het gebrek aan visie, waarmee de huidige crisis wordt bestreden. Anderzijds vanuit het cynisme dat op de loer ligt, wanneer gebrek aan perspectief, of alles aan de “Almachtige” toeschrijven, de overhand krijgt. Sommigen vroegen zich hardop af bij welke groepering zij zich met hun maatschappij-kritische en antireligieuze visie zouden kunnen aansluiten. Noch in de kerk, noch daarbuiten is een beweging waarbij men zich thuis zou kunnen voelen. Of zou het de Occupy-beweging zijn?

“Toogdag 2012/2013” Dit najaar of in het vroege voorjaar van 2013 zullen wij opnieuw een “Toogdag” organiseren. Dit keer met als thema “Cynisme”. Dit sluit niet alleen goed aan bij de laatste “Toogdag”, maar zeker ook bij Ter Schegget, die, zoals hij zelf zei,  bleef geloven. Ook al was het soms tegen beter weten in, omdat hij anders cynisch zou worden. Juist in een tijd met weinig tekenen van hoop op een betere wereld lijkt ons dit een aansprekend en actueel onderwerp.

Website Bijbelplaats.nl Om het werk van verschillende theologen, die bekend staan als vertegenwoordigers van de Bijbelse Theologie, ook voor toekomstige generaties toegankelijk te maken, is er in 2011 een project gestart hiervoor een website in het leven te roepen. Deelnemende stichtingen zijn de Miskottestichting, de Breukelmanstichting, de Dirk Monshouwerstichting en de G.H. ter Schegget Stichting, alsmede uitgeverij Skandalon. Onder de naam Bijbelplaats.nl willen de deelnemers een gezamenlijk portal openen, waarachter niet alleen de websites van de verschillende stichtingen te vinden zijn, maar ook digitaal toegang verkregen kan worden tot het werk van genoemde theologen. Men zou via trefwoorden en/of Bijbelplaatsen de teksten van Miskotte, Breukelman, Monshouwer of Ter Schegget kunnen raadplegen. Door digitalisering worden de teksten niet alleen toegankelijk gemaakt, maar blijven ze ook bewaard voor toekomstige generaties. Het is de bedoeling daarbij ook het werk van verwante theologen, waarvoor geen stichting bestaat, zoals bijvoorbeeld Kleis Kroon en Tom Naastepad, te betrekken. Wij achten dit een belangrijke taak van onze stichting. Het is een omvangrijk project, niet alleen vanwege de ambitie naamsbekendheid te verwerven en bezoekers te trekken, maar ook omdat veel werk nog gedigitaliseerd moet worden. Met name het werk van Ter Schegget behoeft op dat punt nog de nodige aandacht.

Er is een werkgroep geformeerd die onder leiding van een deskundige een drietal keren bijeen is geweest om de wensen en haalbaarheid te onderzoeken. Het eindrapport, op basis waarvan de besturen een definitief besluit zullen nemen, is naar verwachting voor de zomer klaar.

Archief Zoals bekend zal het archief van Ter Schegget ondergebracht worden bij het Historisch Documentatiecentrum voor het Nederlands Protestantisme van de Vrije Universiteit van Amsterdam. Omdat de praktijk leert dat een ongeordend archief doorgaans ook ongeordend en dus ontoegankelijk wordt opgeslagen, willen wij als stichting het archief geordend overdragen. Ook dat is een groot project, dat wij hopen te kunnen klaren met behulp van de opleiding tot archivaris te Amsterdam. Een projectplan om dit te realiseren is in voorbereiding.

Nieuwe bestuursleden Sinds vorig jaar zomer is Renata Rotscheid secretaris van ons bestuur. Zij zat op academie De Horst ten tijde van het docentschap van Bert, heeft daarna theologie en rechten gestudeerd en is werkzaam als advocaat. Wij zijn blij met haar komst. Zij volgt Jaap Jonker op, die als gewoon bestuurslid aanblijft. Ook verwelkomden wij vorig jaar Wilken Veen als nieuw bestuurslid. Hij is  theoloog en verbonden aan Tenach en Evangelie te Amsterdam. Vanaf zijn studententijd heeft hij Ter Schegget intensief gevolgd en hij mag dan ook met recht een Ter Schegget-kenner worden genoemd.  Daarmee is het bestuur met zes leden meer dan op volle sterkte.

Financiën De financiële middelen zijn dit jaar op hetzelfde niveau van krapte gebleven. Dankzij enkele genereuze vaste donateurs en af en toe een grote incidentele gift lukt het ons de financiën zodanig op peil te houden dat we het werk aan de doelstelling van de stichting kunnen voortzetten.

Vooruit kijkend Zoals Bert ter Schegget deed met zijn vragen aan jongeren, staan we als stichting steeds opnieuw voor de vraag hoe we over de thema’s van theologie en maatschappij in gesprek kunnen komen met jonge mensen, en met name hoe wij een jonge generatie theologen bij dit gesprek kunnen betrekken. Als we op de toogdag om ons heen kijken, zien we een trouwe aanhang van mensen die Bert ter Schegget persoonlijk hebben gekend. Een groep mensen, zonder welke de stichting niet zou kunnen bestaan. Toch voelen we ons genoodzaakt verder te kijken en zoeken we naar wegen om een nieuwe groep mensen te interesseren. We verwachten dat de website bijbelplaats.nl in dit opzicht een functie kan hebben. En we zoeken naar middelen om het werk van Ter Schegget onder de aandacht van theologiestudenten te brengen. Gelukkig kunnen we ook melden dat hier en daar groepen het boekje “Over menselijkheid en vrijheid” bespreken, o.a. een groep in Wageningen onder leiding van Johannes Diepersloot. Deze groep, die zichzelf niet tot de doelgroep vindt behoren waaraan Ter Schegget zijn vragen richt, heeft het toch gewaagd het hoofdstuk met de vragen te behandelen. Dat is bijzonder, omdat een eerdere poging van Wilken Veen en Elfriede ter Schegget om onder de titel “Op gehoorsafstand” gespreksgroepen rond deze vragen op te zetten, is mislukt. Mogelijk lukte het in Wageningen wel omdat deze groep al lang bestaat en de leden elkaar goed kennen. Het waren diepgravende en niet zelden emotionele bijeenkomsten. De vragen van Ter Schegget blijken mensen uit te dagen hun levensverhaal te vertellen, in al zijn kwetsbaarheid. Dat werpt nieuw licht op de laatste zin van Ter Schegget’s toespraak “Over de menselijkheid van God” , die luidt: “Wij hebben het verhaal nodig om ons humanisme te verdiepen en te behouden”.

We blijven in beweging en we zullen u op de hoogte houden van onze vorderingen.

Rest ons nog u een Vrolijk Pasen toe te wensen.

Met hartelijke groet,

Herman Noordegraaf voorzitter Renata Rotscheid    secretaris Bert de Groot    penningmeester Jaap Jonker    bestuurslid Wilken Veen    bestuurslid Elfriede ter Schegget bestuurslid

*De vier laatste teksten van Bert ter Schegget en de vragen onder de titel “Op gehoorsafstand” zijn gebundeld in de nieuwe uitgave van “Over menselijkheid en vrijheid”; te bestellen bij uitgeverij Narratio en te koop bij de boekhandel, o.a. theologische boekhandel Kirchner in Amsterdam.

**De teksten van de inleidingen van de toogdag 2011 kunt u op de website www.ghterschegget.nl vinden.

*** Lena ter Schegget is een jong viooltalent, dat al diverse prijzen heeft gewonnen. Met begeleiding van Kanako Inoue voerde ze op de toogdag werken uit van W.A. Mozart, J. Raff, R. Strauss, A. Dvorak en A. Nöick.

Terugblik op de toogdag  25 november 2 0 1 1

Zoals inmiddels gebruikelijk heeft de G.H. ter Schegget Stichting in het najaar, op 25 november 2011, haar ‘toogdag’ gehouden. Daar vond de presentatie plaats van een nieuwe, uitgebreidere versie van het boekje Over menselijkheid en vrijheid. Wilken Veen, Johannes Diepersloot en Elfriede ter Schegget zijn in hun toespraken ingegaan op de teksten uit dit boekje. Hieronder treft u de inhoud van deze toespraken aan. Lena ter Schegget (viool) en  Kanako Inoue (piano) hebben de bijeenkomst muzikaal opgeluisterd

Het boekje “Over menselijkheid en vrijheid” is te bestellen bij uitgeverij Narratio en bij de boekhandel. Boekhandel Kirchner in Amsterdam heeft de boekjes in voorraad.

Toespraak Wilken Veen

Beste mensen,

In het boekje dat ik een aantal jaren geleden over Bert ter Schegget schreef, poneerde ik de niet erg gewaagde stelling, dat Bert bewust heeft gewerkt aan een theologisch oeuvre. Dat wil niet zeggen, dat hij een lijstje had met wat hij allemaal nog wilde schrijven, waarop hij successievelijk doorstreepte wat gedaan was, maar wel dat hij een min of meer omlijnd plan in zijn hoofd had. Zijn dissertatie handelde blijkens de ondertitel over “de ethiek van de revolutie”, maar hij promoveerde op dat proefschrift bij de dogmaticus Van Niftrik. Ik ga ervan uit, dat dit niet was om alle opties met betrekking tot het toekomstige beroepsperspectief open te houden, maar omdat hij als trouw leerling van Karl Barth meende, dat de theologische ethiek, de leer aangaande het gebod van God, deel dient uit te maken van de leer van de kerk. Als dan in 1982 zijn benoeming tot hoogleraar namens de Hervormde Kerk in de christelijke ethiek volgt, is voor Ter Schegget duidelijk dat zijn theologisch oeuvre vooral een ethisch oeuvre zal zijn. Ethiek in dienst van de gemeente. Gebed, gebod, geweten, deze drie g’s worden dan de leidraad van zijn ethiek. Het “programma” dat daaruit resulteerde lijkt heel erg op wat Dietrich Bonhoeffer daarover vermoedelijk in 1942 in één van zijn aanzetten tot wat uiteindelijk een Ethiek had moeten worden, schreef: “Ook het in Jezus Christus bevrijde geweten plaatst het verantwoordelijk handelen voor de wet die een gehoorzaam mens bewaart bij de in Jezus Christus gefundeerde eenheid met zichzelf, en die men niet verachten kan zonder dat onverantwoordelijkheid het gevolg is. Het is de wet van de liefde voor God en de naaste, zoals die in de Decaloog, in de Bergrede en in de apostolische vermaning is uitgelegd.” Over die drie onderwerpen: de Decaloog, de Bergrede en de apostolische vermaning, had Bonhoeffer het in zijn nooit voltooide opus magnum willen hebben. Nadat Bert ter Schegget de contouren van de ethiek, zoals die hem voor ogen stond had geschilderd in Volmacht in onmacht, voert hij nauwgezet het programma van Bonhoeffer uit. Hij schrijft zijn Vrijheid door gehoorzaamheid over de Tien Woorden, twee prachtige boekjes over de apostolische vermaning (wat mij betreft horen ze bij het mooiste wat Bert ooit geschreven heeft) Het moreel van de gemeente over Paulus’ Romeinen 12 en 13 en Zachtmoedig leven over de Petrusbrieven, om te eindigen met Een hart onder de riem , het boek over de Bergrede. De cirkel is in alle opzichten rond. In het laatste hoofdstuk van Een hart onder de riem heeft hij het over het geweten, één van de belangrijkste thema’s uit zijn dissertatie. Je zou kunnen zeggen dat Ter Schegget daarmee zijn ethisch oeuvre had afgerond en helaas moeten we vaststellen, dat het daar qua boekpublicaties uiteindelijk ook bij gebleven is. Maar kort voor zijn dood is Bert nog begonnen aan een nieuw project, want gelooft u mij: het boekje dat vandaag is gepresenteerd is heel mooi en laat ons veel zien van wat hem kort voor zijn dood voor ogen stond, maar het had meer moeten worden. Het ging om één en misschien wel meer boeken, die hij nog wilde schrijven. Om vanmiddag aan u duidelijk te maken wat de theologische relevantie is van het kleine boekje dat u hier gepresenteerd wordt, ga ik met u een beetje speculeren. Ik ga met u proberen te bedenken, wat dit volgende project van Ter Schegget in had moeten houden. De teksten die wij gelukkig hebben zijn eerste vingeroefeningen bestaande uit een viertal toespraken en een brief, die hij schreef aan jongeren in de leeftijd van zijn kinderen (inmiddels net als ik ook al niet meer bij de jongsten behorend). De toespraken, bewust géén ‘preken’, zijn gehouden voor de club die zich verzamelde rond de kerkenraadscommissie Groot-Zuid, op het eind onderdeel van het inmiddels ook alweer ter ziele gegane CLV, Commissie Leren en Vieren, waarvoor Bert ter Schegget in zijn laatste jaren actief  was in de commissie Apostolaat. Het zijn dus niet “echte” preken voor een niet “echte” gemeente, weliswaar gehouden in een kerkdienst, maar niet in een kerk. Op zich dondert dat niet, je kunt overal en voor elke groep mensen een dienst houden, maar het tekent een beetje de plaats van het gehoor en misschien ook wel, waarom Bert juist deze toespraken voor dit gehoor wilde houden. Het gaat om min of meer geseculariseerde mensen, die zich in een “gewone” kerkdienst niet zomaar thuis voelen en daarom hun eigen bijeenkomsten organiseerden. Het gaat Bert in zijn laatste project over de vraag, hoe het spreken vanuit de Schrift, waarvan ook zijn ethisch spreken bewust onderdeel wil zijn, gehoor vindt in een geseculariseerde wereld. Zijn leven lang heeft hij zich tot een kerkelijk publiek, tot “de gemeente” gericht. Hij schreef Bijbelse theologie voor de kritische gemeente en over de roeping van de christelijke gemeente in de politiek. Maar op het eind van zijn leven, gaat Bert zich kennelijk afvragen: is die gemeente er wel als apriori (en zal die gemeente ook altijd blijven bestaan) en verschaft het Woord zichzelf als vanzelf hoorders? Het zijn geen nieuwe vragen, het waren ook de vragen van Dietrich Bonhoeffer in zijn gevangeniscel in Tegel, niet toevallig één van de weinige theologen die in de het nu voor ons liggende boekje bij name genoemd wordt. Klassiek “religieus” of traditioneel “gelovig”, dat lukt jongeren (maar ook ouderen) tegenwoordig nauwelijks meer. Ja natuurlijk er dienen zich bosjes nieuwe vormen van “religieus” aan, met als voorlopig hoogte (of misschien diepte-)punt de studie van de voormalige journalist van Trouw, Koert van der Velde,   Flirten met God waarop hij begin dit jaar aan de Vrije Universiteit promoveerde. Religiositeit zonder geloof, daar gaat het hem om, religiositeit ook zonder ethiek, alleen maar gevoel voor transcendentie, boven jezelf uitgetild worden zonder verplichting, zonder binding aan wat dan ook. Daarmee schep je mijns inziens een nieuwe categorie en je kunt het bestaan van dit soort experimenten (en vergis u niet, ze verslaan hun duizenden, Van der Velde denkt als een soort Calvijn een beslissende nieuwe wending aan het religieuze denken te hebben gegeven onder het motto “Lieve mensen, al die humbug hoeft niet meer, u kunt dat lekkere gevoel ook voor nop en zonder enige verplichting krijgen”) dan ook niet serieus aanvoeren als argument tegen Bonhoeffers voorspelling uit Widerstand und Ergebung, dat we een volstrekt religieloze tijd tegemoet gaan. Wat vraagt zo’n religieloze tijd? Volgens Bonhoeffer vraagt dat om een niet-religieuze herinterpretatie van traditionele theologische en bijbelse begrippen. Hoe kunnen we de dingen zo zeggen, dat ze ook worden begrepen, door mensen die niet meer ter kerke plegen te gaan, die in de regel niet meer bidden, kortom die hebben opgehouden “religieus” te zijn. Daarover gaat het laatste project, dat Bert voor ogen stond. Het schrijven van een boek voor mensen, die niet meer religieus zijn. Zijn onderzoek is erop gericht na te gaan, waar nog raakpunten met deze mensen ligt. Niet om hen alsnog terug te winnen voor de kerk, maar omdat hij ervan overtuigd is, dat ook niet-religieuze mensen in alle opzichten hun voordeel kunnen doen met een ethiek, die op zoek gaat naar een zuiver geweten en zich afvraagt hoe dat geweten geschoold kan worden. Daarvoor moet je die geseculariseerde wereld (met een kleine toespeling op de grote Barth) beter begrijpen dan ze zichzelf begrijpt. En dat beter begrijpen betekent ook, dat je door die moderne geseculariseerde en op de Verlichting gebaseerde westerse wereld heen nog minstens schaduwen ziet van Tenach en Evangelie die constituerend zijn geweest voor de westerse samenleving (dat is wat Bonhoeffer met een archaïsche term het Avondland placht te noemen).  Bert doet dus in zijn laatste project een verdergaande poging om zijn ethiek te ontreligioniseren. Ik zeg bewust een “verdergaande” poging, want hij is er al eerder mee begonnen en het heeft er altijd al wel ingezeten: zijn liefde voor de citoyen, die helaas een bourgeois is geworden, zijn weerzin tegen het religieuze spreken van de kerk. Waarom denk ik toch, dat Bert zich in zijn graf om zou draaien, als hij de recente flutblaadjes van ons landelijk dienstencentrum onder ogen zou krijgen, waarin Godbetert aan de hand van de oerbijbelse kernwoorden geloof, hoop en liefde een onophoudelijke stroom van sentimentalistische religiositeit over ons wordt uitgestort. Het meest recente voorbeeld (als u wilt mag u het in de pauze van me inzien en als u het mee wilt nemen zal ik u bepaald niet tegenhouden) is wat ik begin deze week in de bus kreeg: Kerst, pure liefde: Welkom met kerst, ook in de kerk! (zoals het vroeger – en misschien nog wel,  ik kom er niet meer zo vaak – bij de ingang van de gemeente Emmeloord stond: welkom in Emmeloord, ook in de kerk). Zoals ik al zei: Bert had weinig op met deze religieuze prietpraat. In zijn nog wel geschreven maar niet meer gehouden laatste toespraak, haalt hij nog eens fors uit: Altijd weer wordt God religieus opgevat: de almachtige X, de grote “van der Hummes” uit de hemelen, die alles bestiert, aan wie wij offers moeten brengen om hem zacht te stemmen en op onze hand te krijgen. En ook altijd weer wordt die God door de machtigen in regie genomen, ermee zoet gehouden, aan het systeem gebonden en onderworpen gemaakt. Dan denk je: Ik moet God kwijt, ik moet hem voorgoed kwijt. (einde citaat). De almachtige X heeft ie geleend van Miskotte (die komt uit het Bijbels ABC, maar “van der Hummes”, is die ook van Miskotte, of is dat een eigen vondst van Bert? )1 Daarom probeert hij de grondwoorden van de Verlichting en van de moderne tijd (of moeten we intussen zeggen van de voorbije tijd?) te spellen en te doorgronden en zijn eigen ethiek te bezien in het licht van deze grondwoorden: menselijkheid en vrijheid, autonomie en tolerantie. Autonomie, het schijnbare breekpunt tussen geloof en moderniteit. Immers, wie gelooft onderwerpt zich aan, geeft zich over aan een goddelijk gezag (waar we dat al vergeten waren, worden we eraan herinnerd door de in ons midden levende moslims) en de moderne mens beschouwt zich als autonoom. Oké, daar valt verschrikkelijk veel op af te dingen. Hoe autonoom is de mens, die ’s avonds op het journaal hoort hoe het gesteld is met zijn vertrouwen in de economie en begrijpt dat daarvan in hoge mate afhangt, wat hij zich nu en in de toekomst wel of niet kan permitteren. En zijn er geen wetten en voorschriften nodig juist om onze vrijheid, onze autonomie te beschermen. “What do you want, have rules and obey, or live like animals” vraagt nobelprijswinnaar William Golding in zijn klassieke roman Lord of the Flies. In het kader van een themanummer over het begrip Vrijheid had de redactie van  Ophef aan de Frankfurtse rabbijnse Elisa Klapheck een bijdrage gevraagd over vrijheid in de Talmud. Zij leverde een prachtig artikel in met als titel: “De betekenis van regels”. Want inderdaad het lijkt dat onze monetaire economie ten onder dreigt te gaan aan haar vrijheid en het gebrek aan toezicht. Autonomie, je zelf de wet stellen, kan alleen als je beschikt over een geschoold geweten, dat heeft geleerd de ander voortreffelijker te achten dan zichzelf. Vrijheid moet primair de vrijheid van de ander zijn en dat vergt, hoe contradictoir dat ook mag klinken, dat er regels worden gesteld. Dat valt uit te leggen, ook als we het wagen om met Bonhoeffer (en ook met Ter Schegget!) te spreken “alsob es keinen Gott gäbe”. Geloof zal niet-religieus geïnterpreteerd moeten worden met het oog op de wereld, met het oog ook op de politiek. Het bijzondere van het messianisme is bedoeld voor het algemene van de bevrijding van het mensenkind, uit alles wat hem tot een geknecht en verdrukt wezen maakt. Wil je daar een begin mee maken, dan zul je het gesprek aan moeten gaan. Niet onder het motto “wat geloof jij eigenlijk nog” als ging het erom een laatste rest te redden en te vertroetelen, maar “waarin geloof jij, wat hoop jij, waar ga je voor”. Autonomie, dat is ook, ik neem serieus, wat jij van jezelf en van de wereld vindt, ik stel er kritische vragen bij, zoals jij kritische vragen mag stellen, bij wat ik vind en geloof. Autonomie, mondigheid, is ook een kwestie van ratio, van Kritische Vernunft. Ter Schegget heeft het in dit verband over “zelfreflectie” en gebruikt dat op een schitterende manier als exegese van Jacobus 1 : 23-24 over de mens, die in een spiegel kijkt en meteen daarna weer vergeten is wat hij gezien heeft. Wie niet alleen hoorder, maar ook dader wil zijn, doet aan zelfreflectie, een voortdurende reflectie op hoe hij (of zij) in het leven staat en wat hem of haar te doen staat. Het begrip tolerantie blijft bij Ter Schegget als politieke deugd overeind, maar hij probeert het opnieuw te laden vanuit een bijbelse betekenis als verdraagzaamheid, vermogen om lijden te verdragen en uit te houden, een betekenis, die het in het normale spraakgebruik niet meer heeft, maar eigenlijk wel weer terug zou moeten krijgen. En hoewel Bert, ook in deze toespraken, zijn grote voorkeur voor de sociaaldemocratie, zoals die zich bij hem in zijn laatste levensjaren had ontwikkeld, niet onder stoelen of banken steekt, beseft hij – we schrijven het jaar 2001, het jaar van de opkomst van Fortuyn – dat een tolerantie als die van Wim Kok, waarbij de tegenstellingen onder het tapijt worden geveegd en een correct politiek spraakgebruik als een deken over het politiek landschap wordt gespreid, ook niet kan. Tolerantie is niet: ik heb respect voor alles en iedereen, maar eerder: ik verdraag dat iedereen, ook als die een mening heeft waar ik het totaal niet mee eens ben en die ik terecht met kracht mag weerspreken, er mag zijn en dezelfde onvervreemdbare rechten heeft als ik.  In zijn toespraak over “de mens goed of slecht” spreekt Ter Schegget over “solidariteit in de schuld”. Opnieuw zag ik een opvallende parallel met het werk van Bonhoeffer die in zijn Ethik schrijft, dat verantwoordelijk ethisch handelen niet kan zonder plaatsbekleding en schuldovername. Met dat laatste bedoelt hij iets soortgelijks als door Ter Schegget verwoord wordt. Theologisch hebben we het over zonde en dat is natuurlijk al lang niet populair meer, maar wat zou er veel gewonnen zijn, zegt Bert, wanneer we zouden beseffen, dat we allemaal hopeloos tekort schieten in velerlei opzicht en we ophouden onszelf voor goed en de anderen voor slecht te houden. Hij komt op deze manier tot een ontreligionisering, of in dit verband misschien eerder ontdogmatisering van de uitspraak van Paulus, dat we allen in zonden zijn ontvangen en geboren. Traditioneel is hierop zoals u wellicht weet een erfzondeleer gebouwd en zou ik die uitspraak zo moeten begrijpen dat ook mijn schattige kleinzoontje van twee een door en door zondig mensenkind is. Maar Bert schrijft, dat hiermee gezegd is, dat we allemaal geboren zijn in een wereld die door de zonde wordt beheerst en dat we ons daaraan zullen moeten ontworstelen, bijbels gezegd wedergeboren moeten worden, om zicht te krijgen op de andere mogelijkheid die er voor de mensen is, zoals die zichtbaar is geworden in het leven van Jezus Christus, die ons de menselijkheid van God heeft laten zien. Maar ook zonder dat kan ik duidelijk maken hoe het zit met de “Gottlose Bindungen dieser Welt”: het geloof bij voorbeeld in de economie en de manier waarop we daaraan met handen en voeten gebonden zijn en meer nog ons ook laten binden. Ik zou nog heel veel meer kunnen en ook wel willen zeggen over deze prachtige toespraken. Hoe actueel ze tot op de dag van vandaag zijn, dat zal Johannes straks uitleggen. Ik zou u alleen nog willen zeggen, dat ze niet alleen actueel zijn, maar dat ze ook nog steeds een oproep bevatten, waar we mee aan de slag kunnen gaan. Het grote project dat Bonhoeffer de niet-religieuze herinterpretatie heeft genoemd en dat de naoorlogse kerk als niet-relevant terzijde heeft geschoven (waarom zouden ze ook, de kerken liepen toch weer vol) is door Bert ter Schegget in de laatste jaren van zijn leven opgepakt met een paar aanzetten in even zovele toespraken en misschien nog wel meer in de zorgvuldig geformuleerde vragen aan degenen die na hem zijn gekomen (maar daar zal Elfriede het over hebben). Zelf is hij – zoals hij zegt – de kerk altijd min of meer trouw gebleven, maar hij had alle begrip voor degenen die dat niet meer opbrachten. Hij roept de kerk op tot solidariteit met de buitenkerkelijken en tot het afstand nemen van haar vanzelfsprekende religieuze spreken.  Ik beschouw zijn laatste project als een uitnodiging om ermee door te gaan en dat ben ik dan ook van plan. Ik dank u.

Wilken Veen.

)1 Weten we inmiddels (met dank aan Mies): komt ook van Miskotte.

Toespraak Johannes Diepersloot

                 TIEN JAAR LATER – alsof het gister geschreven is

INLEIDING

‘Alsof het gister geschreven is’ – het lijkt een reclameslogan, zoals ‘Geheel vernieuwde formule’ en ik voeg er dan gelijk maar aan toe wat in geen reclame mag ontbreken: `Uitvoerig getest’ in dit geval door een groep van 15 mensen in Wageningen. Voor hen was het zonneklaar dat wat Ter Schegget tien jaar geleden schreef nog hoogst actueel is en op een aantal punten misschien nog wel meer dan het tien jaar geleden was. Dat kan niet van alles wat op theologisch gebied geschreven is gezegd worden. Die 15 mensen lazen de teksten met een fascinatie, die me deed denken aan de fascinatie voor Bonhoeffers ‘Verzet en overgave’, waaruit ik 40 jaar geleden hier in Amsterdam met middelbare scholieren las, daarna met studenten in Wageningen en enkele jaren terug met de genoemde 15 mensen, tussen de 40 en 85 jaar oud.

Toespraken noemde Ter Schegget deze preken – want laten we wel wezen, dat zijn het. Als een dominee in het kader van een dienst mensen toespreekt, dan wordt het al gauw een preek en daar is niks mis mee. Vier prachtige en krachtige toes-preken  zijn het. Vermoedend dat niet ieder ze al gelezen heeft, zal ik de toespraken in hoofdlijnen weergeven, waarbij ik niet telkens zal wijzen op de betekenis voor vandaag. Dat kan ieder zelf net zo goed of beter en bovendien is dat meer iets voor het gesprek vanavond. Vaak zal ik letterlijk citeren, soms een parafrase geven. Dat laatste wel met tegenzin, omdat dan de warmte en hartstocht van Ter Scheggets taal verloren gaat. Het uitvoerigst sta ik stil bij de eerste toespraak, omdat ik die beschouw als de cantus firmus van het gehele opus.

AUTONOMIE

De eerste toespraak gaat over de menselijke vrijheid, de autonomie van de mens. Ter Schegget begint met te stellen, dat die autonomie – de mogelijkheid om in vrijheid eigen beslissingen te mogen en kunnen nemen – een verworvenheid van de Verlichting is, die overigens niet algemeen aanvaard is. Dan zegt men, dat de mens gebonden is aan de wetten en geboden van God, of hij dat nu erkent of niet, en dat de mens daarom heteronoom bepaald wordt. De poging uit het dilemma van autonoom en heteronoom te komen door te spreken van theonomie, waarbij het gebod van God wordt geintegreerd in het menselijk leven, acht hij slechts een verbale oplossing, die de werkelijke en wezenlijke vraag omzeilt. Hij wil het dilemma, dat de Verlichting gesteld heeft, serieus nemen en begrijpen wat er in het geding was en is.

De Verlichting zag in de heteronomie een breideling en verkrachting van de vrijheid van de mens. Het was een poging de macht van de kerk veilig te stellen. Dat deed zij door het gebod van God in regie te nemen en anderen op te leggen. Voor de Verlichting is kerk priesterbedrog en als priesters zelf in hun missie geloofd hebben en geloven, maakt dat de zaak des te erger, omdat de kerk structureel eropuit was de mens te beroven van zijn met de geboorte gegeven recht op vrijheid. De Verlichting en in haar voetspoor de Franse Revolutie is voor de vrijheid van de mensen opgekomen. En terecht –  zegt Ter Schegget.. Die vrijheid moeten we koesteren en hooghouden en als zij niet wetenschappelijk te funderen is, moet zij worden toegekend om de menselijke waardigheid te behouden.

De apostel Jacobus noemt ´de wet der vrijheid´ de volmaakte wet. Dat lijkt paradoxaal, want aan wetten hebben we ons te onderwerpen en we achten ons pas vrij als we aan niets uitwendigs gebonden zijn. Jacobus zegt dat de goddelijke wet waarvan hij spreekt anders is dan de menselijke wetten: het is geen wet die beveelt en opgelegd wordt, maar een Woord dat iets betuigt, iets oproept, maar niets afdwingt en oplegt. We zijn hoorder van dat Woord maar worden ook dader, omdat het Woord ons in het hart getroffen heeft. Wie het hoort wordt gehoorzaam, niet gedwongen, maar in vrijheid.

Voor Jacobus is dat Woord het Woord waardoor alles in het aanzijn is geroepen én het vleesgeworden Woord, de gestalte van Jezus Christus, de mens die de weg van solidariteit ten einde ging. Zo´n Woord uit liefde zet een mens in beweging, het is onontkoombaar. Maar het is geen voorschrift of wetsartikel, het legt niets op, integendeel, het spreekt je op je vrijheid en in je vrijheid aan. Of misschien moeten we zeggen: door dat Woord krijg je de vrijheid. Jacobus gebruikt een alledaags beeld, dat van een man die in een spiegel kijkt naar zijn gezicht, weggaat en vergeet wat hij gedaan en gezien heeft. Maar een mens kijkt toch in een spiegel om zich kritisch te bezien. Dat wil ook dat Woord bewerken, het is een spiegel, die je oproept jezelf kritisch te bezien, het roept je op tot vernieuwing en wie het echt gehóórd heeft, kan niet bij het oude blijven. Wie in die spiegel kijkt ziet zichzelf als een ander en ziet ook zoals een ander hem ziet. Dat spiegelende Woord leidt tot zelfkennis, die ontstaat aan de ander, die je roept, die je stoort. Die ander noodzaakt je over jezelf na te denken en de vraag die hij stelt en is, aan jezelf te stellen. Dan is het mogelijk te doen wat die ander vraagt en  je eigen vrijheid te bevestigen, want je hebt geleerd vanuit de ander te leven en jezelf te vinden in de ander. Voor Jacobus is Jezus dat bewegende, ontdekkende Woord geweest en Hij is dat ook voor de messiaanse gemeente. Hij heeft ons een andere mogelijkheid gewezen.en de zelfreflectie geleerd, die nodig is om de ware autonomie te vinden. Hij heeft op gang gebracht wat in ons kan doorwerken, als we ´erbij blijven´, zoals Jacobus dat noemt. Dat ´erbij blijven´ is cruciaal, steeds weer in de spiegel van het Woord te kijken, je in de wet der vrijheid te verdiepen, opdat je waakzaam blijft, je laat storen door de ander en jezelf herziet.

We mogen nooit het visioen van de Verlichting vergeten, zegt Ter Schegget. De Verlichting heeft de mens zijn mondigheid doen herontdekken, de vrijheid zijn eigen beslissingen te nemen. Maar wie is die zelf-denkende, zelf-bslissende mens? Welk subject is zo geaard dat het de vrijheid kan waarmaken? Kant’s antwoord is: een geest die het eigenbelang heeft teruggedrongen ten bate van het algemeen welzijn. Een geest dus, die bereid is vanuit de ander te denken. Daarmee zijn we wel op het punt waarop de zwakheid van de Verlichting aan het licht komt: de overheersende vorm waarin zij gehuld gaat is het kapitalisme. En dat kapitalisme vormt de jungle waar we inhalig worden en slaaf van elkaar.  We hebben geen blauwdruk hoe de maatschappij te veranderen en de cultuur te vernieuwen. Wat we wel hebben is dit: soms zijn er tekenen van hoop. Dan zien we iets anders, mensen die zich door de ander laten storen, die in de spiegel hebben gekeken en ´erbij blijven´. Ze zijn er, in het klein en in het groot. Dat zijn de uitzonderlijke tekenen die de regel overstijgen. Laten we daar dankbaar voor zijn en ook verwonderd. Laten we er iets van Gods genade in ontdekken en er een belofte voor de toekomst in zien. En laten we blijven geloven en hopen dat deze andere mentaliteit, deze blijken van een andere geest, van een ´heilige´geest zelfs, op den duur en steeds meer aanstekelijk kunnen werken.. Er is in ons een onrust, omdat we door iemand gestoord zijn. We gaan naar de kerk om in de spiegel van het Woord te kijken, geconfronteerd te worden met die grote verstoorder van gezapigheid en valse rust, Jezus Christus.

TOLERANTIE

Ter Schegget noemt de tolerantie, de verdraagzaamheid, een hoog en onopgeefbaar goed, omdat zij de grondslag vormt van de noodzakelijk democratische dialoog. Maar niet alles kan gedoogd worden; de grens ligt daar waar de ander, die op verdraagzaamheid rekent, zelf de tolerantie niet in acht neemt. De tolerantie moet ophouden waar zij op intolerantie stuit. De bij ons geldende opvatting van verdraagzaamheid leiden vaak tot ontpolitisering van de dialoog.  Maar er zijn opvattingen die bestreden dienen te worden, omdat zij onjuist of zelfs gevaarlijk, benepen of populistisch zijn.

Paulus´ levenstaak was het verzoenen van joden en niet-joden, mannen en vrouwen, slaven en vrijen.  Dat kan allen bereikt worden, als alle partijen komen tot de erkenning van solidariteit in de schuld. Dat gebeurt als zij bereid zijn zich te oriënteren op de gestalte van de lijdende Messias. Voor Paulus is tolerantie letterlijk ver-draag-zaamheid, dat wil zeggen je verdraagt dat de ander ánders is dan jij, dat hij zich ànders gedraagt, ánders denkt en voelt.Het is niet het ontkennen van de tegenstellingen en ook niet het verdringen van je oordeel over de ander, maar wel het overstijgen daarvan ter wille van de toekomst – een verzoende mensheid die in vrede en gerechtigheid leeft.

De heersende democratie legt ons tolerantie van bovenaf op en eist zelfs respect voor andersdenkenden.  Maar opgelegde tolerantie werkt niet en respect is niet afdwingbaar. Tolerantie mag nooit betekenen, dat we elkaar niet meer kritisch bevragen. De plaats van de ander en zijn recht er te zijn staan daarbij niet ter discussie, maar hij moet bereid zijn zich in te passen in de verdraagzaamheid van een democratische maatschappij. Dat is een leerproces, waarvoor de  onmachtigen tijd en ruimte moeten krijgen. We hebben een sterke tolerantie nodig, niet een grenzeloze permissiviteit. Wat terug moet komen is een duidelijk, omlijnd, hard en helder politiek-ethisch gesprek, dat niet door angst voor onverdraagzaamheid wordt beheerst, maar dat in een sterke, krachtige en belijnde verdraagzaamheid fel, eerlijk en waarachtig wordt gevoerd. Dat leidt tot stevige vragen aan de islam en de kerken. Een lang citaat:

“De vraag aan de islam luidt dan of ze bereid zijn elke theocratische gedachte, elke vermenging van religie en politiek op te geven en hun religie te overstijgen in de richting van een gemeenschappelijke, wereldomspannende humaniteit. Dat houdt in, dat zij de mensenrechten, de verdraagzaamheid, de openheid en de democratische waarden van de samenleving niet alleen uiterlijk zullen aanvaarden, maar ook innerlijk en van harte zullen omhelzen en wel als de vervulde, geseculariseerde vorm van wat in de religie eigenlijk en ten diepste beoogd werd.   

Diezelfde diep-insnijdende vragen zullen moeten gesteld worden aan de christelijke kerken. Hebben zij eindelijk de moed de secularisatie niet langer te beschouwen als een bedreiging en een nederlaag, maar als een overwinning van het geloof. Allen, die om de reden dat dit niet gebeurde, de kerk de rug hebben toegekeerd, hebben op dit punt in ieder geval gelijk. Ook het zogenaamde gesprek der religies zal over deze dingen moeten gaan. Zijn we met elkaar bereid  de religie als ongeloof te zien?Zijn we in staat de religie achter ons te laten en de humaniteit te zoeken? Durven we het aan het geloof niet een religieuze maar een seculiere gestalte te geven? Of blijven we eeuwig hangen in een religieuze interpretatie van godsdienstige begrippen, die altijd weer leiden zal tot onverdraagzaamheid? Als we deze vraag niet durven te stellen, zullen we altijd vreemden van elkaar blijven en elkaar nooit vinden. Een religieuze wereld zal altijd een verscheurde wereld blijven, tenzij de religies bereid zijn hun zogenaamde monotheïsme op te geven, hun religiositeit achter zich te laten, en vanuit wat een ieder in zijn traditie gegeven is mee te bouwen aan een gemeenschappelijke, verdraagzame wereld, waarin vrijheid, rechtvaardigheid en vrede heersen”.

DE MENS: GOED OF SLECHT

Wie is de mens nu eigenlijk? Paulus zegt dat alle mensen onder de zonde zijn, omdat ze in het ‘vlees` – dat is de toestand die in de wereld heerst – vastzitten. Daar moeten we geen dogma van maken – de mens is in zonde ontvangen en geboren en onbekwaam tot enig goed; Paulus schrijft een persoonlijke brief aan concrete mensen in Rome in een concrete situatie en hij wil dat zij, joden, Grieken en Romeinen, tezamen komen in een messiaanse gemeente en de messiaanse gemeenschap met elkaar gaan oefenen. Dan is allereerst nodig, dat allen hun vooroordelen afleggen en erkennen, dat allen onder de zonde zijn en hun solidariteit in de schuld aanvaarden. Dat is de enige basis voor verzoening tussen mensen, toen en nu.  Als partijen voor elkaar de schuld die zij dragen hebben erkend, dan worden zij daarin verbonden, dat ze beide gerechtvaardig zijn door de Christus, schrjift Paulus.

Is de mens eigenlijk goed of slecht? Of beide tegelijk en evenveel? In de bijbel wordt de mens niet door zijn verleden getypeerd, maar door zijn toekomst en bestemming gedefinieerd. De vraag die rest is, of de mens kan groeien van feitelijke  zondaar naar in hope gerechtvaardigde. Dat is de vraag naar de heiliging, is de mens perfectibel, voor vervolmaking vatbaar? Als die vraag ontkennend wordt beantwoord, wordt de doem van de zonde omgelogen tot goed: de begeerte, de zelfverheffing, het egoïsme kunnen in het heersende systeem gebruikt worden om een zogenaamd betere maatschappij vorm te geven – zegt men, dat is de moraliteit van het kapitalisme. In feite is dat een onderschatting van de destructiviteit van het boze, die zichtbaar wordt bij de slachtoffers aan de randen van het kapitalisme. Maar we moeten groeien in de liefde, groeien in saamhorigheid, groeien in solidariteit en gemeenschapszin. Het systeem van de vrije markt moet gecorrigeerd worden ter wille van de slachtoffers.

Hoe geef je dat vorm? Hoe bereik je dat? In elk geval nooit als individu. Het veronderstelt een wereld om je heen, die een heiligend appèl op je doet. Het kan alleen in een gemeenschappelijk en seculiere actie en wel door met elkaar een cultuur en een maatschappij op te bouwen, die de goede eigenschappen, die de menselijke charisma´s uitdaagt. Dat lukt niet in het ongeremde kapitalisme, dat juist begeerte, winzucht en eigenbelang uitdaagt. Het zou wel kunnen in een radicaal systeem van menselijke vrijheid, in een democratie die een niet-zelfzuchtige inzet en een humaan politiek ethos vraagt en erop gericht is de economische sector onder haar controle te brengen.  De sociaal-democratie, niet in partijpolieke zin, maar in filosofische zin opgevat, is vooralsnog de beste manier om in deze richting te werken, al is het ook een lange, lange weg om te gaan. De zwaartekracht van het boze is immens. Maar we mogen de moed niet opgeven. Het menszijn heeft een geheim, het is niet zonder belofte – en die belofte maakt het menszijn open naar vervolmaking.

DE MENSELIJKHEID VAN GOD

Ter Schegget begint deze toespraak met de mededeling dat hem vaak gevraagd is waarom hij eigenlijk geen humanist is geworden. Dan spreekt hij positief over het humanisme en zegt dat de kerk te weinig open is naar de geseculariseerde wereld en te weinig luistert naar de artheïstische stemmen die daar klinken. Maar, zegt hij dan: ik zal laten zien dat de bijbel en het evangelie de religie overwinnen en achter zich laten, omdat zij niet gericht zijn op de godsdienst van mensen, maar veeleer op de mensendienst van God. God is mens geworden, niet één mens Jezus, maar ‘ mens’ , Hij heeft ´mensheid´ aangenomen. Het vlees van Jezus is ons aller vlees, het Woord heeft in Hem ons aller mensheid aangenomen. Tegelijk is dat Woord ook Woord gebleven en wij kunnen onszelf niet kennen dan alleen in de spiegel van zijn Woord dat Hijzelf is en dat vleesgeworden is. In die spiegel, in de gestalte van Jezus, ontdekken mensen wat ze werkelijk zijn naar hun oorspronkelijke, vergeten, verdrongen, verwaarloosde of verloochende bestemming: te leven vanuit en tot de ander, het ‘Für andere Dasein´ van Bonhoeffer.  Het nieuwe en andere van Jezus is hoogst aanstekelijk. Dat God met mensen samenkomen wil en dat Hij in Jezus ingaat in hun bestaan en het menselijk leven aanneemt, is een zaak die ons allen insluit. Daar wordt openbaar wat het menselijk leven werkelijk is: medemenselijkheid. Je bent er voor je naaste, ook als deze er niet aan toe is die liefde te beantwoorden. Alleen zo, met deze humaniteit van de vóórkomende liefde, kan verzoening tot stand komen.

De aantrekkingskracht van het humanisme heeft te maken met mijn afkeer van de relgiositeit van de kerk, die altijd via de band van een almachtige god de machtigen in de kaart speelt en de onmachtigen aan het kortste eind laat trekken. Het atheïstische of agnostische humanisme heeft die god van de religie afgeschreven; daarmee voel ik mij verwant,  zoals ik me verwant voel aan de mondige wereld, die op eigen benen wil staan en die eigen verantwoording wil nemen, terwijl de kerk de mensen vaak klein maakt, bevoogdend behandelt, onderwerpt en onderdanig houdt.

Maar er is ook een bezwaar tegen het humanisme in te brengen. Als het nu eens waar was, dat de God van de bijbel geen hemelse bullebak is, maar een God van menselijkheid, een humane God, die ons niet wil knechten, maar vrijmaken. Een God, die we gaarne en om niet dienen. En als het nu eens waar was, dat Hij in Jezus heeft laten zien wat het menszijn van vóórkomende liefde is. Dan is het toch goed de verhalen daarvan te horen en je erdoor te laten gezeggen. De zwakte van het humanisme is, dat het geen verhalen heeft, maar lezingen, geen liederen, maar parolen. Door die verhalen en liederen worden we steeds herinnerd aan Gods menswording en wat dat inhoudt; daarzonder wordt het humane een ideaal en het humanisme een idealisme, maar het ideaal wordt altijd geblameerd door het belang en dan verdwijnt het als sneeuw voor de zon. Ons humanisme kan niet zonder de impulsen van de verhalen en liederen die we in de gemeente horen. Misschien is dat wel het wezenlijkste verschil tussen een humanist en een christenmens, dat de laatste niet de illusie koestert in deze wereld zijn humanisme te kunnen volhouden, zonder het verhaal te horen van de humane God van de Bijbel, het verhaal van de werkelijke mens Jezus.

TENSLOTTE

Ter Schegget zocht met deze toespraken een vorm, waarmee hij een breder, jonger publiek zou kunnen aanspreken. Het lijkt me aannemelijk dat een bepaalde categorie hoger opgeleiden bij deze toespreken opademt. Maar er zijn ongetwijfeld anderen, die op andere lagen van menszijn geraakt willen en moeten worden, zonder hen met religieuze prietpraat te bedotten. Ik heb het vermoeden, dat Ter Schegget daaraan ook gedacht heeft. Dat vermoeden is gewekt door hoe ik hem heb meegemaakt en versterkt door zijn vragen, die in de nieuwe editie van het boekje ook zijn opgenomen. Maar over die vragen komt Elfriede te spreken.

Johannes Diepersloot Wageningen / Amsterdam, 25 november 2011

Toespraak Elfriede ter Schegget

TOESPRAAK ‘TOOGDAG’

Voordat ik inhoudelijk aan mijn betoog begin, is het voor een goed begrip noodzakelijk even aan te geven hoe ik mijn onderwerp heb benaderd.  Om te beginnen is mijn benadering bevindelijk van aard. Dat wil zeggen dat mijn beweringen voortkomen uit wat ik ervaar, meen waar te nemen en te weten. Ik zal vanmiddag niet proberen de vragen van mijn vader te beantwoorden. Ik spreek erover naar aanleiding van. Daarbij staat de vraag centraal waarom Bert’s vragen weinig weerklank hebben gevonden bij mijn generatie, waarvan hij veronderstelde dat ze nog “op gehoorsafstand” van hem was. Ik betwijfel dat. Mijn betoog gaat over het waarom van mijn twijfel. Ik doe dat door de maatschappelijke, politieke en religieuze landschappen te verkennen waarin de vragen van Bert en de mensen aan wie ze zijn gesteld zijn geworteld.   Tenslotte is het voor een goed begrip van mijn betoog van belang te weten hoe ik de termen ideologie en religie definieer. Ideologie is voor mij een verzameling ideeën, doorgaans de samenleving betreffende, die samen een ideaalbeeld vormen dat door middel van een bepaalde strategie verwezenlijkt moet worden. Religie definieer ik als de ideologie van geloven. Religie vertelt mij wat ik moet geloven en hoe ik dat moet belijden. Religie is in mijn definitie dus beslist niet hetzelfde als geloof.

Mijn vader stelde zijn vragen aan zijn kinderen en hun vrienden. De generatie die bekend staat als de “babyboomers”. Hij wilde weten hoe deze generatie, waarvan de meesten de kerk verlaten hebben, zich staande houdt in onze wereld vol honger, onrecht, economische ongelijkheid en onzekerheid. Het was allerminst zijn bedoeling ons terug in de kerkbanken te duwen. Daarvoor had hij zelf te veel kritiek op het kerkelijke instituut en wat daar verkondigd wordt. Kern van zijn kritiek, zoals ik dat begrijp, is dat de kerk door haar machtsstreven vervreemd is van haar eigen boodschap, waardoor er een schisma is ontstaan tussen het instituut en de gemeente ter plaatse. Bert wijst erop dat in de bijbel het onderscheid tussen gemeente en instituut niet bestaat. Het woord “ecclesia” staat voor de geloofsgemeenschap ter plaatse, die leeft in de marge zonder instituut of groots opgetuigde organisatie. De gemeente komt bij elkaar om het verhaal te horen dat haar bevrijdt uit de hopeloze, beklemmende waan van de dag met al zijn zorgen. Het verhaal waaruit zij de moed put in beweging te komen naar vrede, recht, vrijheid en gemeenschap toe. De gemeente zoekt kracht. De kracht van geloof, hoop en liefde, die ons leert delen. Het is een kracht die niet afhankelijk is van grote getallen en weerloos tegen elk machtsstreven. Macht daarentegen is gericht op vermenigvuldigen, op volle kerkbanken en gevulde collectezakken. Maar in de Bijbel staat delen centraal. Het machtsstreven verloochent de bijbelse boodschap door deze in te zetten voor het eigen gewin en jaagt zo degenen die het echt om delen te doen is de kerk uit.  Zo bekeken, komt de kerkverlating, zoals die is begonnen bij de “babyboomers” , eerder voort uit geloofsbehoud dan uit ongeloof. Het was deze generatie die openlijk de legitimiteit van de gevestigde orde ter discussie stelde, de liefde centraal stelde en communes stichtte waarin alles gedeeld werd. In die zin was de Flowerpowerbeweging messiaanser dan de kerk. Ik denk dat Bert dat ook aanvoelde. In ieder geval voelde hij affiniteit met de aanval van deze generatie op de gevestigde politieke en kerkelijke orde en hun verzet tegen onderdrukking, oorlog, armoede en onrecht. Dat was voor hem wezenlijker voor het geloof dan de dominante verkondiging in de kerk, die ons wil laten geloven in een alles bestierende en daarom onderdrukkende God. Vanderhummusvanhierboven, zoals hij hem spottend noemde. Bijgeloof, ongeloof vond hij dat. Ook hij was afkerig van zo een verkondiging en kon daarom begrijpen dat wij niet naar de kerk gingen. Toen mijn moeder ons, tieners destijds, erop aansprak dat wij op zondagochtend nog in ons bed lagen te ruften als hij al hoog en breed op de kansel stond. Zei Bert nog voor wij zelf konden reageren: “Als ik niet moest werken ging ik misschien ook niet.”  Tien jaar na Bert’s overlijden is het machtsdenken in de kerk nog altijd actueel. Voorbeelden ervan zijn bijna dagelijks in Trouw te lezen. Op de voorpagina stond vorige week dat nog maar 35 % van de Nederlanders vertrouwen heeft in de kerk. Klaas van der Kamp, algemeen secretaris van de Raad van Kerken reageert op dat nieuws met (ik citeer) “Dat is zorgelijk en verdrietig. Het vertrouwen in de kerken is beschaamd, terwijl ze vertrouwen preken.” Maar, vervolgt hij dan, “om het gezag te herstellen zouden kerken nadrukkelijk solidair moeten zijn met mensen die geen stem hebben.” Het gaat Van der Kamp dus helemaal niet om de mensen die geen stem hebben, maar om door middel van solidariteit met deze groep gezag te winnen. Nog een voorbeeld. Op 21 november staat in Trouw de reactie van Peter Verhoeff, voorzitter van de Protestantse Kerk in Nederland, op predikant Vlietsra, die heeft gepredikt dat je je kinderen best eens een flink pak slaag mag geven. Verhoeff schrijft daarop ondermeer: “Hij (dominee Vlietstra) zet niet alleen zichzelf te kijk, maar berokkent de hele kerk schade.” Ook hier gaat het blijkbaar niet om de schade van de kinderen die de klappen moeten incasseren, maar om de imagoschade van de kerk te beperken. Een kerk die de bijbelse boodschap gebruikt om haar positie veilig te stellen verloochent de boodschap en heeft niet alleen geen toekomst, maar er is ook niets aan verloren. Het zijn mijn woorden, maar mijn vader zou er begrip voor hebben gehad. Dat begrip voor en de verwantschap die hij voelde met mijn generatie heeft, denk ik, mede aan zijn veronderstelling bijgedragen dat  juist deze generatie, zoals hij in zijn brief schrijft, nog “op gehoorafstand” was. Toch is dat volgens mij een vergissing. Om de redenen die ik daarvoor heb begrijpelijk te maken citeer ik eerst Bert’s brief. Hij opent die met een uitleg waarom hij zich juist tot ons, kerkverlaters, babyboomers, richt en schrijft dan: “Ik vraag mij af of de kerkelijke verkondiging of beter bijbelse boodschap nog relevant is voor en zich laat verenigen met het levensgevoel van deze mensen. Zijn er wellicht toch resten in hun levens van deze boodschap overgebleven?” Vervolgens brengt hij zijn vragen onder in acht thema’s, waarvan ik er enkele noem: Het levensperspectief, Wat bind je?, De levenskracht en haar bron?, Verzet tegen onrecht en Rechten en plichten. Bij die thema’s staan dan vragen als:  “Bij welk perspectief of visioen leef je?”, “Wordt het geweten uiteindelijk gevuld door maatschappelijke instanties, door culturele stemmen of getuigt het van iets dat nog daaraan voor bij is?” en verderop “…maar soms zul je misschien het gevoel hebben dat je kracht ontvangt. Van wie? Van wat?” en nog verderop “Of ben je tot meer en hoger geroepen?” of “Is er iets dat meerderen of zelfs allen verbindt?”. Uit deze citaten blijkt hoe zeer Bert met zijn theologie en de bijbelse boodschap versmolten was. De terminologie waarin hij spreekt refereert namelijk, meestal impliciet, steeds aan de Bijbel of wat je het Koninkrijk Gods zou kunnen noemen. Uit zijn vraagstelling blijkt in ieder geval dat hij wil weten of de mensen die hij aanschrijft nog leven met een verhaal of een perspectief  dat hun eigen levensverhaal en de wereldgeschiedenis te boven gaat.  Wat Bert volgens mij onderschat heeft is dat het publiek dat hij aanschreef zich vaak met moeite uit een kerk met een moraliserende, onderdrukkende boodschap heeft geworsteld. Iedere herinnering daaraan, al is het enkel maar de terminologie, zet stekels overeind. Woorden als “visioen”, “meer en hoger” zijn verdacht en “bijbelse boodschap” al helemaal. Dat de bijbelse boodschap een andere boodschap kan zijn dan de kerkelijke boodschap gaat aan ze voorbij. Hun afkeer is te groot om daaraan toe te komen. Je zou kunnen zeggen dat de kerkelijke boodschap ze voorgoed doof heeft gemaakt voor de bijbelse boodschap, zoals Ter Schegget die uitlegt. De meesten van hen hadden en hebben meer interesse in Bert’s maatschappijkritiek en politieke standpunten dan in zijn theologie. Velen moedigden hem in de 70er jaren aan de kerk te verlaten, hebben niet begrepen waarom hij haar trouw is gebleven en vinden dat hij in zijn Leidense tijd vroom was geworden. Maar voor Bert zelf waren zijn theologie en politieke opvattingen één geheel, zijn geloof en maatschappijkritiek stonden in open verbinding met elkaar. Als je dat niet ziet, kun je Bert’s brief  lezen als een laatste hartstochtelijke poging met de generatie na hem over zijn theologie in gesprek te komen. Dan kun je zijn vragen af doen met de opmerking dat ze niet echt open zijn of zelfs op terugkeer naar de kerk gericht, maar minstens even waar is dat zijn vragen tot dovemansoren gericht waren.  Samengevat maakte de jonge generatie van de jaren ’60 zich los van het door de kerk gedomineerde geloof, dat feitelijk geen geloof is, maar een christelijke ideologie met een Godsbeeld, dat hem tot afgod maakt. De bevrijding daarvan is echter maar relatief, omdat deze kerkverlaters andere ideologieën adapteerden, zoals bijvoorbeeld het socialisme, communisme of milieuactivisme. Ideologieën met maatschappelijke ideaalbeelden die in het hier en nu gerealiseerd zouden worden door de mens zelf, zonder hulp van God, want die was dood verklaard. Niet uw wil, maar onze wil geschiede. Met andere woorden het perspectief op het Rijk Gods maakte plaats voor het realiseren van de ideale samenleving, geloven in God werd een geloven in jezelf en in plaats van de heilige geest kwamen oosterse spiritualiteit en geestverruimende middelen. Het door de kerk beleden mensbeeld dat de mens van nature tot geen goed in staat en tot alle kwaad geneigd is werd verruild voor het beeld dat de mens van nature goed is en voorzover dat niet zo is niet hijzelf maar zijn achtergrond en omgeving daar debet aan zijn, zijn milieu zoals dat toen heette. Dit geloof in de goedheid van de mens uitte zich in experimenten, zoals de antiautoritaire opvoeding, terwijl andere experimenten zoals het voornemen van professor Buikhuisen te onderzoeken of criminaliteit mogelijk een genetische oorsprong zou kunnen hebben, grote maatschappelijke verontwaardiging opriep, zelfs als fascistisch werd afgedaan en de professor zijn reputatie kostte. Inmiddels is gebleken dat de samenleving niet zo maakbaar is als wij destijds dachten en genetisch onderzoek zet ons mensbeeld en geloof in de vrije wil op losse schroeven. De zo revolutionair en met veel elan begonnen babyboomgeneratie staat met lege handen en besluit voor zijn eigen hachje en eigen geluk te gaan. En juist op het moment dat ze daar succesvol in is, de babyboomers zijn de rijkste en gelukkigste generatie ooit, komt Bert ter Schegget met zijn existentiële vragen. Dat brengt hen in verlegenheid, omdat deze generatie klem zit tussen enerzijds haar verzuilde verleden met zijn  knechtende christelijke ideologie en het debacle van de ideale samenleving en anderzijds het heden waarin de ideologie van de vrije markt domineert, die ze volledig op zichzelf aanwijst. Daarom weten ze, ook al zouden ze er wél voor open staan, geen weg met zijn vragen. En Bert zelf? Hij zit ook klem, klem tussen een kerk en een generatie die hem beide maar half verstaan. Dat zie ik als de tragiek van zijn leven. Of Bert het zelf ook zo heeft ervaren weet ik natuurlijk niet, maar ik heb er wel aanwijzingen voor. Een opmerking als “ik leef bij het innerlijk licht” of mijn moeder die vertelt dat hij in zijn laatste dagen rusteloos heen en weer liep tussen zijn studeerkamer en de piano op zoek naar woorden, troost zoekend in klanken, vertellen mij dat hij er ook mee zat, dat het hem letterlijk aan het hart ging en hij is gestorven aan een gebroken hart. Het is mijn  persoonlijke beleving, die niet noodzakelijk de waarheid is, maar wel waar voor mij en ook mijn drijfveer om net als Bert te blijven zoeken naar nieuwe perspectieven. Om deze te ontdekken moeten we ons afvragen waar we nu staan. Onze tijd kenmerkt zich door een heilig geloof in de werking van de vrije markteconomie, die een wereldeconomie geworden is met als gevolg dat sociaal-economische problemen in omvang en complexiteit te groot zijn geworden om door de politiek, die nog altijd bepaald wordt door landsgrenzen en werelddelen, te worden opgelost. Het onvermogen van de Europese leiders greep te krijgen op de huidige crisis is daar een voorbeeld van. Naast deze discrepantie tussen de economische en politieke macht heeft het blindelings vertrouwen in de zelfregulerende werking van de vrije markt er ook voor gezorgd dat het sinds de ontzuiling groeiende individualisme is uitgegroeid tot gelegaliseerd egoïsme. De boodschap die hiervan uit gaat is dat de markt alle kans op succes biedt. Als je niet succesvol bent ligt dat dus aan jezelf. In de politiek is dit al zo breed geaccepteerd dat de wetgeving erop wordt aangepast. Spijbelt je kind bijvoorbeeld, dan heb je als ouder gefaald en krijg je een boete. Zelfs partijen die van oudsher voor de zwakkere opkwamen, zoals CDA en PvdA, gaan hierin mee. Niet meer kunnen rekenen op politieke en maatschappelijke compassie maakt dat mensen zich onzeker, eenzaam en onveilig gaan voelen met als gevolg dat zij hun toevlucht zoeken in de schijnveiligheid en schijnzekerheid van fundamentalistische ideologieën en geloofsovertuigingen. Het succes van Geert Wilders en de groeiende rechtervleugel van de kerk zijn daar voorbeelden van. Dat het midden en de linkervleugel van kerk en politiek hier geen aansprekend antwoord op hebben komt, en dat is het belangrijkste punt van mijn verdere betoog, omdat het ontbreekt aan visie. Ook dat kun je toeschrijven aan het vrije marktmechanisme met zijn enkelvoudige doelstelling gericht op het realiseren van economische groei. Toch denk ik dat dat te kort door de bocht is. In mijn analyse is het eerder zo dat de teloorgang visie de oorzaak ervan is dat het vrije marktdenken dominant geworden is, dan dat visieloosheid het gevolg ervan is. Waardoor is visie dan wel teloorgegaan? Visie hebben, visionair zijn, wil zeggen dat je een toekomst voor ogen hebt, waarvan in het hier en nu of zelfs in de geschiedenis, niet of nauwelijks tekenen zichtbaar zijn. Visie maakt dus altijd onderdeel uit van een verhaal dat deze wereld en haar geschiedenis overstijgt. De kracht ervan is dat het tot andere, moedigere keuzes kan leiden dan die je op basis van de actualiteit of de geschiedenis zou verwachten. Een visionair perspectief is noodzakelijk wil je niet geregeerd worden door de waan van de dag, wat altijd reactionair is, omdat het niet verder komt dan ad hoc reageren. Visie is een perspectief op een toekomst die er nog niet is en misschien wel nooit zal komen. Visie is dus onzichtbaar en ongrijpbaar en wordt daarom vaak als “vaag” afgedaan. Je kunt visie niet in regie nemen noch aan je wil onderwerpen. Het gelijk van een visie kan nooit vooraf bewezen worden, hooguit, in het beste geval, achteraf blijken. Omdat het succes niet van te voren te calculeren is, is het risicovol er op te sturen. Daarom is het begrijpelijk dat in de periode tussen ongeveer 1960 en 1990 is geprobeerd de visie op de ideale samenleving waar te maken door het onderdeel te maken van een politiek programma. Met andere woorden visie is onderdeel gemaakt van een ideologie, visie is geïdeologiseerd en daarmee ontdaan van haar essentiële eigenschap, dat het niet in regie te nemen of aan een wil te onderwerpen is. Daarom moest het wel mislukken met als logische reactie hierop de no nonsense politiek van de jaren negentig, die politieke partijen als CDA, VVD en PvdA ertoe bracht met hun ideologieën ook hun visie overboord te zetten. Het kind werd zogezegd met het badwater weggegooid. Inmiddels worden visie en ideologie vaak niet meer onderscheiden en als synoniemen naast elkaar gebruikt. In het zojuist verschenen parlementaire jaarboek, met de pakkende, aan het bijbelboek Spreuken ontleende titel “Waar visie ontbreekt, komt het volk om”  komt dit duidelijk tot uiting. Op 16 november scheef Trouw hierover: “Thema van deze uitgave is de zorg over het verdwijnen van de grote visie, de ideologie, in de politiek, kortom het grote verhaal.” Dat het ontbreken van visie het probleem van deze tijd is deel ik, maar dat dit hersteld zou kunnen worden door oude ideologieën uit de kast te halen is een misvatting. Juist de babyboomgeneratie zou dat toch moeten weten. Het getuigt dan ook van gebrek aan zelfreflectie en historische analyse dat dezelfde generatie nu deze oplossing naar voren brengt. De jongere generatie zit hier ook niet op te wachten getuige de uitspraak van een vierendertigjarige activiste van de Occupy beweging in Trouw van donderdag 17 november. Zij beantwoordt de kritiek dat deze beweging geen leiders en concrete standpunten heeft als volgt: “Natuurlijk stuit het mensen tegen de borst dat wij dingen bewust vaag houden. Maar je niet conformeren aan een bepaalde ideologie en geen statement klaar hebben, is voor mij juist de ultieme daad van verzet. Omdat je een andere vorm van denken aandurft.”         Haar verzet tegen het adapteren van ideologieën van welke aard dan ook is hartverwarmend, maar ook zij zal niet vooruitkomen zonder perspectief, zonder visie op de toekomst. De vraag die centraal staat is dan ook: Hoe worden wij weer deel van een groot visionair verhaal zonder in ideologieën of religiositeit te vervallen? Die vraag stelde Bert in feite ook door zich af te vragen Wat gelooft de generatie na mij?. Zijn brief met vragen is er de uitwerking van. De kunstenares van de Occupy beweging die ik citeerde staat daar open voor en is dus meer “op gehoorsafstand” van Bert dan degenen aan wie hij zijn vragen oorspronkelijk richtte. Als deze vrouw representatief is voor haar generatie, is er hoop. Niet zijn kinderen, zoals Bert dacht, maar eerder zijn kleinkinderen zijn op gehoorsafstand. Met het oog op de toekomst is dat een hoopvol teken en ook al kan hij ze jammer genoeg niet zelf meer met zijn vragen bestoken: het verhaal gaat door!

T O O G D A G   2011

Het verheugt ons te kunnen melden dat we in 2011 opnieuw een toogdag organiseren, waarin de theologie van G.H. ter Schegget, en zijn betekenis voor ons, centraal zal staan; ook een dag waarop betrokkenen en belangstellen elkaar kunnen ontmoeten en over die betekenis met elkaar kunnen spreken.

Hieronder treft u achtereenvolgens aan: – De uitnodiging – Het programma – Toelichting bij het programma – Over de sprekers – Praktische informatie o.a.   opgave en kosten    en – Over de nieuwe uitgave, die het thema vormt van deze toogdag: – G.H. ter Schegget, – Over menselijkheid en vrijheid” met de tekst van “Op Gehoorsafstand”

 

U I T N O DI G I N G

voor de ‘toogdag’ van de G.H. ter Schegget Stichting op vrijdag 25 november 2011, aanvang 14.00 uur

THEMA

OVER MENSELIJKHEID EN VRIJHEID

De laatste vier toespraken van G.H. ter Schegget

S P R E K E R S

 

Wilken Veen De vier toespraken vanuit theologisch perspectief

Johannes Diepersloot De vier toespraken vanuit de actualiteit.

Elfriede ter Schegget Over de vragen van Ter Schegget bij zijn laatste toespraken

P L A A T S 

 

Thomaskerk Prinses Irenestraat 36 1077 WX Amsterdam Tel: 020 76 38 171

Uw aanwezigheid stellen wij zeer op prijs G H ter Schegget Stichting Herman Noordegraaf, voorzitter

Programma
13.30 uur   Thomaskerk open: koffie en thee
14.00 uur   Opening
Herman Noordegraaf,
  voorzitter G.H. ter Schegget Stichting
14.15 uur “Menselijkheid en vrijheid, geen principes maar oriëntatiepunten op
zoek naar een concrete ethiek” , door Wilken Veen
14.45 uur “Tien jaar later – alsof het gister geschreven is”,
door Johannes Diepersloot
15.15 uur Pauze en ontmoeting met koffie en thee
16.00 uur “Over de vragen van Ter Schegget bij zijn laatste toespraken” ,
door Elfriede ter Schegget
  16.30 uur Muzikale afsluiting van het middagprogramma,
Lena ter Schegget, viool,
Sigrun Lefringhausen, piano
  17.30 uur Maaltijd
  18.30 uur Gelegenheid in afzonderlijke groepen door te praten met de drie
sprekers over de gehouden lezingen.
20.30 uur   Afsluiting

Deelname aan alleen het middagprogramma is ook mogelijk: zie onder “opgave en kosten”.

Toelichting bij het programma

Tijdloos spreken en schrijven over geloven gaat vaak voor vroomheid door; in werkelijkheid is het bedrog en een kwelling, omdat het noch de eigen tijd, noch het getuigenis van profeten en apostelen serieus neemt. Ter Schegget neemt beide wel serieus en waar dat gebeurt, krijgt wat 10 (of 100) jaar terug geschreven werd, betekenis voor wie het jaren later leest. Ondanks tijdgebonden details is er dan de verrassing: de vier toespraken ´Over menselijkheid en vrijheid´ gaan net zo goed over ons nu! Wilken Veen gaat dieper in op de manier waarop Ter Schegget in zijn teksten  profeten en apostelen tot spreken brengt. Johannes Diepersloot zal ons laten horen dat de vier toespraken actueel zijn in de wereld van vandaag.

In dezelfde tijd dat hij de laatste vier toespraken schreef, stuurde Ter Schegget een brief met levens- en gewetensvragen aan een door hem zelf geselecteerde groep. Net als de toespraken maakte dit onderdeel uit van een onderzoek waarmee hij probeerde een levend antwoord te vinden op de vraag hoe in onze geïndividualiseerde samenleving opnieuw vorm en inhoud gegeven zou kunnen worden aan wat hij ‘het recht op gemeente’ noemde. In haar toespraak zal Elfriede deze vragen belichten vanuit haar persoonlijke band met haar vader en zo proberen iets bloot te leggen van zijn motieven om deze vragen te stellen.

Over de sprekers:

Wilken Veen (1953) studeerde theologie in Utrecht en Amsterdam UvA. 1991 promotie op een studie over de Duitse Kerkstrijd “Collaboratie en Onderwerping”. Sinds 1982 predikant in Amsterdam, 15 jaar Amstelkerk, 11 jaar Amsterdam-Noord en 4 jaar Leerhuis Amsterdam “Tenach en Evangelie”. Publicaties over bijbeluitleg ( De gezegende temidden van zijn broeders, 1995; Hizkia, 1996) en kerkgeschiedenis (Bonhoeffer, een stap verder dan de kerk, 2000; Verzoening in de praktijk , 2004; De zachtmoedige revolutie in de theologie van G.H. ter Schegget, 2007)

Johannes Diepersloot (1939) studeerde theologie in Amsterdam aan wat toen nog Gemeente Universiteit heette en waar dat toen nog mogelijk was. Daarna was hij ruim zeven jaar leraar godsdienstonderwijs en maatschappijleer in Amsterdam en ruim 25 jaar studentenpredikant in Wageningen. Sinds 2001 is hij emeritus.

Elfriede ter Schegget (1956) studeerde Textiele Werkvormen aan wat nu de Hogeschool voor de Kunsten heet. Toen zij in de jaren negentig bestuurlijk actief was in het christelijk onderwijs, raakte zij met haar vader in gesprek over geloof en theologie. Tot op de dag van vandaag is zij daardoor gegrepen en probeert zij zijn theologie op het spoor te komen met dezelfde eigenwijsheid die hem ook kenmerkte.

Praktische informatie

Organisatie:

G.H. ter Schegget Stichting, in samenwerking met Leerhuis Amsterdam “Tenach en Evangelie” Thomaskerk Amsterdam

Opgave en kosten:

Deelname aan het hele programma , inclusief maaltijd, kost € 35,- . Deelname aan alleen het middagprogramma kost € 17.50. U kunt zich opgeven per e-mail,  info@ghterschegget.nl , met vermelding van naam, adres, aantal personen en deelname aan het hele programma of alleen het middagprogramma, of schriftelijk aan: G.H. ter Schegget Stichting, Postbus 3925, 1001 AS Amsterdam.

I.v.m. de bij de kosten inbegrepen maaltijd gaarne vooraf betalen op bankrekening 511 23 19 t.n.v. G.H. ter Schegget Stichting o.v.v. ‘Toogdag 2011’ . Deelnemers aan alleen het middagprogramma kunnen desgewenst ook onaangekondigd komen en ter plekke betalen.

Locatie:

Thomaskerk: Prinses Irenestraat 36, 1077 WX, Amsterdam. Tel. 020 673 92 30. (Nabij Beethovenstraat en WTC)

Inlichtingen:

Website G.H. Ter Schegget Stichting: www.ghterschegget.nl E-mail : info@ghterschegget.nl Adres : Postbus 3925, 1001 AS Amsterdam Bank ING : 511 23 19.

Over de nieuw uitgave

Het thema van de dag is “Over menselijkheid en vrijheid”; zie de toelichting bij het programma.

Onder deze titel is ook een nieuwe uitgave verschenen van de laatste vier toespraken van Bert ter Schegget. In deze uitgave is opgenomen de brief met gewetensvragen, die hij kort voor zijn overlijden schreef aan een groep jongeren, onder de titel “Op Gehoorsafstand”. Het boekje wordt uitgegeven door theologische uitgeverij Narratio en zal vanaf 1 november beschikbaar zijn; zie www.narratio.nl. Het boekje is op de toogdag verkrijgbaar bij boekhandel Kirchner in Amsterdam, die met een boekentafel aanwezig zal zijn; zie www.boekhandelkirchner.nl.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.